Er zijn nog genoeg hete hangijzers
Integratie / Er zijn nog genoeg hete hangijzers
door Kustaw Bessems
Het gaat in de landelijke politiek minder over integratieproblemen dan een paar jaar geleden. Dat is prettig, want we hebben zin in goed nieuws. Maar het is ook zorgelijk: kunnen we die problemen wel oplossen als we het er niet meer over hebben? Reacties uit het veld.
Het is nog even afwachten. Maar de verwachting lijkt gerechtvaardigd dat de algemene beschouwingen – die morgen in de Tweede Kamer beginnen – niet zo door het onderwerp integratie zullen worden beheerst als de politieke discussies van een paar jaar terug. En ook de campagne voor de kamerverkiezingen, op 22 november, lijkt vooral te gaan draaien om sociaal-economische onderwerpen als de AOW en niet om culturele verschillen tussen oude en nieuwere Nederlanders. Dat heel felle van eerst is een beetje uit het integratiedebat verdwenen.
Tot tevredenheid van Omar Yakoub, docent aan het Merewadecollege in Gorinchem, met een kwart allochtone leerlingen. „Al die harde taal over allochtonen, over moslims, ik kan me voorstellen dat mensen daar een beetje moe van zijn. Die zette mensen alleen maar op afstand. Ik merkte in de klas dat uitspraken van politici allochtone leerlingen die juist een duwtje in de rug nodig hebben, verdriet deden”, vertelt Yakoub na schooltijd.
Hij ziet het ook, dat politieke partijen zich steeds minder profileren op integratiegebied. „Ze zijn heel voorzichtig. Ik denk dat ze de extreem-rechtse partijen niet in de kaart willen spelen.”
Yakoub is bioloog, maar geeft maatschappijleer aan vmbo-leerlingen. Hij zoekt allochtone kinderen in Gorinchem al op als ze nog in de hoogste klassen van de basisschool zitten. Om ze beter te kunnen begeleiden nadat ze naar het voortgezet onderwijs zijn doorgestoomd. Hij maakt loverboys bespreekbaar, asielzoekers en veilige seks. Het leverde hem in 2004 de titel ’docent van het jaar’ op.
Voor hem had het nooit gehoeven, die crisisstemming die in politiek Den Haag heerste omtrent integratie. „Ik ben heel optimistisch. De derde generatie allochtonen verschilt niet meer van autochtonen. Ik zie heel veel gemengde relaties en allemaal probleemloos. Als er al een cultureel probleem speelt, is het dat sommige allochtone kinderen wat mondiger worden, net als autochtone kinderen, en dat wordt thuis niet gewaardeerd.
Ook passen zij zich aan aan de Nederlandse ik-cultuur, waarin je vooral aan jezelf denkt.
Die cultuur staat tegenover de allochtone wij-cultuur waarin je ook veel overhebt voor anderen. En discriminatie is een probleem, waardoor veel allochtone jongeren geen stageplek krijgen.” Maar een kloof tussen allochtoon en autochtoon over waarden en normen, een conflict tussen islam en het Westen? Yakoub ziet die niet. „Zoals ik mijn leerlingen ook voorhoud: de islam is een geloof van vrede.”
„Wat bijvoorbeeld in Irak gebeurt, heeft niets met de islam te maken. Dat is net zoiets als het verzet tegen de bezetter hier in Nederland, tijdens de Tweede Wereldoorlog.”
Ook de Rotterdamse wethouder grote-stedenbeleid, Dominic Schrijer, spreekt niet graag meer over allochtonen. Drie jaar geleden maakte hij als bestuurder van de deelgemeente Charlois veel discussie los toen hij ervoor pleitte om kansarme nieuwkomers te spreiden. De stad kon de toestroom niet meer aan, vond Schrijer. Hij wilde niet alleen dat corporaties woningtoewijzing gebruiken om te spreiden, maar ook dat probleemgroepen naar andere gemeenten werden gelokt met goedkope huizen, taalcursussen, ongeschoold werk, medische en welzijnsvoorzieningen.
Het kwam hem op kritiek te staan. Prominent PvdA’er Adri Duivesteijn zei bijvoorbeeld in de Volkskrant over Schrijer: „Die bewerkt te veel de verkeerde sentimenten.”
Nu, drie jaar verder, zegt Schrijer: „Ik denk wel dat het integratiedebat gevoerd moest worden. Politieke partijen van links tot rechts moesten kleur bekennen. Inmiddels heerst van GroenLinks tot de VVD in hoofdlijnen consensus: een selectief immigratiebeleid en een minder vrijblijvend integratiebeleid.”
Schrijer zit op een zonnig terras in Scheveningen, bezoekt zometeen een conferentie in het Kurhaus. Hij wordt inmiddels gereden en het is – erkent hij – wel eens lastig om voeling met de straat te houden. „Gelukkig woon ik nog in Charlois. En ik probeer zo min mogelijk op het stadhuis te zijn.”
Hij blikt terug: „Ik heb nooit een integratiedebat willen voeren, het ging mij alleen om achterstand en kansarmen. Ik vond: als sociaal-democraten kun je het kinderen niet aandoen dat zij opgroeien in een buurt waar ze zeker weten dat zij niet van een dubbeltje een kwartje worden. Ik denk niet in zwart en wit, dat is niet bepalend voor je positie.”
Toch sprak Schrijer in 2003 nadrukkelijk over ’kansarme allochtonen’ en niet over ’kansarmen’. Hij lichtte dit ook toe: ,,Voor alle kansarmen geldt dat zij een inkomen en een huis missen, maar migranten kennen vaak ook nog eens geen Nederlands en weten niet hoe de stad om hen heen in elkaar zit. Dat maakt hun hulpvraag extra groot. En de meeste kansarmen zíjn migrant.”
Waarom nu dan die terughoudendheid? „Natuurlijk speelt afkomst mee. Dat veel Antillianen in eenoudergezinnen opgroeien bijvoorbeeld, en dat er verband is met het criminele gedrag van Antilliaanse jongens. Dat kun je, als je precies bent tenminste, best benoemen. Maar doe dat op plaatsen waar het ertoe doet: op school, in de buurt, op de sportclub. Je hebt er niets aan als landelijke politici de hele tijd maar over allochtonen praten. Je kunt beter gewoon naar mensen toe om hun problemen op te lossen. We moeten gewoon aanpakken.”
Is Nederland ’integratiemoe’, zoals het Journaal onlangs meldde? Willen we gewoon niet meer luisteren naar al dat gepraat over allochtonen? Bijna vierduizend mensen beantwoordden onlangs via de website van Trouw de vraag of zij nog geïnteresseerd waren in de discussie over integratie. Driekwart zei ja. Bepaald niet wetenschappelijk, maar toch een indicatie in de andere richting.
„Ik denk niet dat mensen moe zijn van het onderwerp integratie”, zegt Schrijer, „maar wel van de toon waarop het is besproken.” Dat zie je ook, zegt de wethouder, aan een opiniepeiling waaruit vorige week bleek dat de PvdA veruit het populairst is onder allochtonen. Dat levert die partij naar schatting acht kamerzetels op. Volgens Schrijer een beloning voor de houding van zijn partij: het niet meer zo veel over integratie hebben, maar ’gewoon aanpakken’. En dan vooral op sociaal-economisch vlak: onderwijs, woningen, werk voor de mensen in ’kwetsbare wijken’.
Maar is dat wel helemaal reëel? Neem een onderwerp als huiselijk geweld onder allochtonen. Aysel Caliskan publiceerde onlangs ’De nootjes van het huwelijk’, een aangrijpend boek over hoe zij ontsnapte aan de mishandeling door haar man. En over de goedkeuring of het gedogen van die mishandeling door haar Turkse omgeving.
Caliskans doel is juist: meer aandacht voor dit onderwerp, vertelt ze op haar werkplek, bij een zorginstelling in Amsterdam-west. Tachtig procent van de inwoners in deze buurt is allochtoon. Achter sommige van de voordeuren in de buurt zitten vrouwen opgesloten, weet Caliskan. Die komen niet buiten, die zien we niet. En daar is volgens Caliskan nog altijd veel te weinig aandacht voor.
Kom bij haar niet aan met het cliché dat huiselijk geweld in alle lagen van de bevolking voorkomt en niets te maken heeft met afkomst. „Dat heeft het wel. In de Nederlandse cultuur is de vrouw vrij en zelfstandig. De laag opgeleide Turkse vrouwen niet. Die zijn meer bezig met wat de buitenwereld wel niet van ze zal denken.” Caliskan durft de bewering aan dat de meeste Turkse en Marokkaanse vrouwen slachtoffer zijn van enige vorm van huiselijk geweld. „Alleen noemen ze het zelf niet zo. Om een voorbeeld uit mijn eigen leven te geven: toen ik huwelijksproblemen had vroeg mijn arts mij of ik wel eens was verkracht. Ik zei nee. Maar ik besefte niet dat tegen je zin seks hebben ook een soort verkrachting is. Ik wist niet eens dat je kon weigeren. Het kwam niet in me op.”
Dat is, zegt Caliskan, cultuur. En dat gaat volgens haar pas beter als er veel aandacht van Haagse politici voor is. Omdat vrouwen zich bewuster moeten worden van hun rechten, maar ook omdat politieagenten de voorzichtige signalen moeten leren herkennen van allochtone vrouwen in nood. Omdat ambassades en consulaten moeten klaarstaan voor vrouwen die zonder papieren in het land van herkomst worden gedumpt. „En heel simpele dingen: wat er allemaal niet is afgeschaft aan koffieochtenden in het buurthuis. Terwijl dat soort heel laagdrempelige activiteiten voor vrouwen de eerste stappen naar buiten kan zijn.”
Ook Anne Marie van der Meule staat wat ambivalent tegenover de nieuwe tendens om culturele verschillen niet langer te benadrukken. Van der Meule is trajectbegeleider inburgering bij de gemeente Den Haag. Ze houdt kantoor in een oud lts-gebouw in het Transvaalkwartier, inmiddels in gebruik voor inburgeringscursussen.
„Het probleem is dat landelijke politici de ene keer met z’n allen helemaal de ene kant op gaan en dan weer helemaal de andere kant op. Soms denk ik wel eens: als ik mijn huishouden zo zou runnen was ik al lang failliet.”
„Ik ben blij dat politici tegenwoordig weer positieve verhalen houden over integratie. Ik denk dat het succesverhalen laten zien leidt tot navolging. Laatst had ik zo’n leuke vrouw op school. Die was zo blij toen ze voor het eerst zelf een dokter had kunnen bellen. En later, tijdens de feestelijke uitreiking van certificaten, klampte ze me aan en liet ze me haar eerste salarisstrook zien, zó trots was ze.”
„Maar ik denk dat het ook nuttig is geweest dat een tijd lang de problemen wat harder werden benoemd. Omdat het beleid toch te lang te veel pamperen was. Als iemand een probleem had, zaten daar allemaal mensen omheen – de maatschappelijk werker, een bijstandsadviseur, de inburgeringsdocent – die alles oplosten. We zijn wakker geschud. Tegenwoordig sporen we mensen aan om zichzelf te helpen: hier is de telefoon, bel maar.”
En voor Van der Meule is het te vroeg om deze nuttige discussie voor gesloten te verklaren. „Wij zien bijvoorbeeld nog zo veel mensen hiernaartoe komen in het kader van een gearrangeerd huwelijk. Voor die gezinnen is het twee stappen vooruit, één stap terug. Vaak eindigen die relaties in een scheiding waarna een jong meisje, vaak al met een kind, zich hier met heel weinig vaardigheden in Nederland moet redden.” Het kabinet nam maatregelen die importhuwelijken bemoeilijken: taal-, leeftijds- en inkomenseisen werpen een drempel op. „Maar waarom zou je het zo ver laten komen? Mij lijkt het bijvoorbeeld goed als kinderen op basisscholen al leren dat je in Nederland je eigen partner kiest en dat niet hoeft te laten regelen door je familie.”
Dat zou controversieel zijn: scholen die zich met partnerkeuze bemoeien. Annemarie van der Meule wil maar zeggen: er zijn nog genoeg hete hangijzers op integratiegebied waar politici zich mee kunnen bezighouden.
„Ik hoop dat de huidige stilte een bezinningsperiode is”, zegt Ahmed Marcouch, stadsdeelvoorzitter van Slotervaart, in Amsterdam-west, en in die hoedanigheid wel eens ’de enige Marokkaanse burgemeester van Nederland’ genoemd.
„Het is prima om even een pas op de plaats te maken. Maar het zou ook kunnen dat dat zwijgen meer met electoraal gewin heeft te maken. Bij de VVD zie je bijvoorbeeld een kentering van een harde naar een zachte toon en die is volgens mij begonnen bij de gemeenteraadsverkiezingen, toen de PvdA een grote overwinning boekte.” Een van zijn twee mobieltjes gaat. Het PvdA-logo dat hij er zelf op heeft geplakt, licht op.
Marcouch merkte het toen hij pas bekendmaakte dat Slotervaart een deskundige in de arm neemt om radicalisering van moslimjongeren in de buurt tegen te gaan. Het leek of mensen het niet wilden horen. „Ik kreeg reacties als: ’Ach, dat is het zoveelste initiatief’.’ Terwijl geen overheid ooit zo’n stap heeft gezet.”
Marcouch zal de laatste zijn om het belang te onderschatten van de kwesties waar zijn Rotterdamse collega Schrijer zich druk over maakt - wonen, werk, onderwijs. „Met een lege maag is het immers moeilijk discussiëren over cultuur. Ik heb hier gezinnen met tien kinderen in woningen van 55 vierkante meter zitten. En zelfkritiek hebben is lastig als je ongeschoold bent.” Maar anders dan Schrijer ziet Marcouch er wel degelijk het nut van in als cultuurverschillen openlijk en breeduit worden besproken.
„Autochtonen en allochtonen in mijn buurt kennen elkaar niet goed. Die kloof is er. En die overbrug je alleen door als overheid mensen met elkaar in contact te brengen.” Marcouch probeert dat in zijn buurt te organiseren. Zelf zit hij in het Joods Marokkaans Netwerk Amsterdam. Ook zoiets. Aanleiding waren antisemitische incidenten: Marokkaanse jongens hadden dodenherdenking verstoord en stenen gegooid naar Joden.
Of taalproblemen. Die zijn nog zo groot dat Marcouch vindt dat de overheid inburgeringscursussen gratis moet aanbieden: „Juist omdat we trots zijn op de Nederlandse taal en cultuur moeten we die uitdragen. In plaats daarvan laten we minima ervoor betalen, als het ze al lukt om zich door een woud van bureaucratie en wachtlijsten te worstelen.”
En er is dus de radicalisering van moslimjongeren, die Marcouch nog altijd ziet toenemen: jongeren die zich isoleren van de rest van de samenleving, die met hun werk of opleiding stoppen omdat ze er niet mogen bidden op precies de momenten die ze kiezen. Of die Afghaanse baarden en klederdracht dragen en nergens meer binnenkomen. Sommige van die jongeren kunnen terroristen worden, weet Marcouch.
„Dan kun je zeggen: als overheid bemoeien we ons niet met religie. Maar we hebben een civil society nodig van moslims waar die jongeren zich in ingebed voelen. En als we nu zien dat zij er niet in slagen om die op te bouwen, moeten we dan blijven toekijken hoe nog meer verdwaalde jongeren radicaliseren? Het is de grootste valkuil voor de politiek in de komende jaren: dat we moe worden van het onderwerp integratie, nog vóór vraagstukken zijn opgelost.”
