Discussie en omgang met gelovigen
Uitgenodigd door Tokamak presenteer ik wat gedachten over een discussie met gelovigen en de hoe met ze om te gaan.
De eerste vraag die rijst is: wil ik wel in discussie met gelovigen? Als die daarin overduidelijk weinig zin hebben niet, maar anders: natuurlijk, graag zelfs !!!
Maar waarom eigenlijk? En dan kom ik tot de ontdekking dat het eigenlijk alleen gaat om het spel, dat ik denk te winnen als de ander niet vals speelt. Want wat valt er te bereiken? Dat ik zo overtuigend ben dat een gelovige niet meer gelooft? Het is misschien een gebrek aan zelfvertrouwen, maar ik acht de kans gering dat het me lukt. En ik heb in de praktijk geen voorbeelden gezien van atheisten met meer overtuigingskracht. Degenen die beweren door een atheistisch betoog van hun geloof te zijn afgeraakt, waren bij nadere beschouwing al aan het twijfelen. Mijn stelling is dat twijfel en gezond verstand genoeg zijn om afvallig te worden. Religie is nu eenmaal voldoende inconsistent om aan een nuchtere beschouwing tenonder te gaan. De atheistische geschriften zijn dan alleen nog bevestigend voor de al gevormde mening, leveren nog wat extra argumenten en kennis en zijn vaak amusant. Maar essentieel zijn ze niet.
Waarom ga ik niet het gesprek aan met onwillige gelovigen? Waarom niet fier mijn zienswijze verkondigd, waarom geen tegengeluid zoals o.a. Tokamak wil? Dan komt mijn neiging om in wederkerigheid te denken om de hoek kijken. Ik heb er een hekel aan als anderen mij hun overtuigingen ongevraagd opdringen, waarom zou ik dat dan zelf doen? Ik vind dat je verkeerde gedragingen niet moet overnemen. Ja maar, het gaat niet om prediken maar om argumenteren, is misschien de tegenwerping. Ik ben bang dat dit onderscheid te kunstmatig is. En ook hier: zal mijn boodschap de ander wel bereiken, praat ik niet tegen doven, druk ik ze niet in de veilige omarming van de eigen groep?
Aansluitend bij RdM staat bij mij voorop dat ieder het recht heeft om wat dan ook te geloven als anderen daarvan maar geen noemenswaardige hinder ondervinden en de konsekwenties door de gelovige zelf gedragen worden.
Dit geschreven hebbend komen er lastige zaken om de hoek kijken. Wanneer is van echte hinder sprake? Een antwoord daarop is eenvoudig als het gaat om beperkingen zoals volledige zondagsrust, maar het wordt lastiger als het gaat om uiterlijkheden, zoals boerkas en en christelijke rokken. Zonder tolerantie is geen samenleving mogelijk.
Als het gaat om het dragen van konsekwenties is het eerste dat in mij opkomt dat kinderen de meeste gevolgen ondervinden van het gelovig zijn van hun ouders. Maar als ik de opvoeding van kinderen overlaat aan ouders (en wie zou anders willen?) dan geef ik toch de vrijheid om het hele waarden- en normenpatroon over te dragen? Je kunt toch niet voorschrijven wat wel en niet in de opvoeding aan bod komt? Het lijkt me dat goede scholing het enige is dat tegenwicht kan bieden.
Dat de meest effectieve prediking die is van ouders naar kinderen ervaar ook ik als een wrange waarheid , maar ingrijpen in het ouderlijk gezag gaat mij een stap te ver.
Kortom, het bestrijden van geloof en het uitbannen van de ongewenste effecten van gelovig zijn kan gemakkelijk leiden tot aantasting van mensenrechten die we willen respecteren.
Maar wat dan wel? Ik ben niet-gelovig (en goede verstaanders mogen me ook atheist noemen) en vind alles wat met geloof samenhangt, eufemistisch gezegd, weinig aantrekkelijk. Om mijn hele leven in zo'n sfeer te moeten vertoeven staat me tegen. Ik zou dus graag anders willen, maar ik realiseer me dat mijn rechten niet uitgaaan boven die van anderen. Daarom streef ik naar een (in mijn ogen) redelijke balans. Die bestaat uit een seculiere staat waarin men enerzijds de vrijheid heeft om naar een eigen overtuiging te leven en waarin anderzijds de wetten en bestuursorganen geschoond zijn van godsdienstige aspecten, met goed rationeel onderwijs waaraan strict de hand wordt gehouden. Voor het overige rest de tijd en die werkt, zo te zien, niet in het voordeel van de kerkelijken.
Mijn verwachting? Het kan nog wel even duren. De inrichting van staat en onderwijs wordt bepaald door gekozen parlementariers en een groot deel van hun kiezers zijn behept met een voor mij hinderlijke irrationele geestesgesteldheid. Men is benauwd voor elitarisme en zoekt wegen om de democratie wat dichter bij het volk te brengen. Dat werkt als het gaat om irrationaliteit niet positief.
De eerste vraag die rijst is: wil ik wel in discussie met gelovigen? Als die daarin overduidelijk weinig zin hebben niet, maar anders: natuurlijk, graag zelfs !!!
Maar waarom eigenlijk? En dan kom ik tot de ontdekking dat het eigenlijk alleen gaat om het spel, dat ik denk te winnen als de ander niet vals speelt. Want wat valt er te bereiken? Dat ik zo overtuigend ben dat een gelovige niet meer gelooft? Het is misschien een gebrek aan zelfvertrouwen, maar ik acht de kans gering dat het me lukt. En ik heb in de praktijk geen voorbeelden gezien van atheisten met meer overtuigingskracht. Degenen die beweren door een atheistisch betoog van hun geloof te zijn afgeraakt, waren bij nadere beschouwing al aan het twijfelen. Mijn stelling is dat twijfel en gezond verstand genoeg zijn om afvallig te worden. Religie is nu eenmaal voldoende inconsistent om aan een nuchtere beschouwing tenonder te gaan. De atheistische geschriften zijn dan alleen nog bevestigend voor de al gevormde mening, leveren nog wat extra argumenten en kennis en zijn vaak amusant. Maar essentieel zijn ze niet.
Waarom ga ik niet het gesprek aan met onwillige gelovigen? Waarom niet fier mijn zienswijze verkondigd, waarom geen tegengeluid zoals o.a. Tokamak wil? Dan komt mijn neiging om in wederkerigheid te denken om de hoek kijken. Ik heb er een hekel aan als anderen mij hun overtuigingen ongevraagd opdringen, waarom zou ik dat dan zelf doen? Ik vind dat je verkeerde gedragingen niet moet overnemen. Ja maar, het gaat niet om prediken maar om argumenteren, is misschien de tegenwerping. Ik ben bang dat dit onderscheid te kunstmatig is. En ook hier: zal mijn boodschap de ander wel bereiken, praat ik niet tegen doven, druk ik ze niet in de veilige omarming van de eigen groep?
Aansluitend bij RdM staat bij mij voorop dat ieder het recht heeft om wat dan ook te geloven als anderen daarvan maar geen noemenswaardige hinder ondervinden en de konsekwenties door de gelovige zelf gedragen worden.
Dit geschreven hebbend komen er lastige zaken om de hoek kijken. Wanneer is van echte hinder sprake? Een antwoord daarop is eenvoudig als het gaat om beperkingen zoals volledige zondagsrust, maar het wordt lastiger als het gaat om uiterlijkheden, zoals boerkas en en christelijke rokken. Zonder tolerantie is geen samenleving mogelijk.
Als het gaat om het dragen van konsekwenties is het eerste dat in mij opkomt dat kinderen de meeste gevolgen ondervinden van het gelovig zijn van hun ouders. Maar als ik de opvoeding van kinderen overlaat aan ouders (en wie zou anders willen?) dan geef ik toch de vrijheid om het hele waarden- en normenpatroon over te dragen? Je kunt toch niet voorschrijven wat wel en niet in de opvoeding aan bod komt? Het lijkt me dat goede scholing het enige is dat tegenwicht kan bieden.
Dat de meest effectieve prediking die is van ouders naar kinderen ervaar ook ik als een wrange waarheid , maar ingrijpen in het ouderlijk gezag gaat mij een stap te ver.
Kortom, het bestrijden van geloof en het uitbannen van de ongewenste effecten van gelovig zijn kan gemakkelijk leiden tot aantasting van mensenrechten die we willen respecteren.
Maar wat dan wel? Ik ben niet-gelovig (en goede verstaanders mogen me ook atheist noemen) en vind alles wat met geloof samenhangt, eufemistisch gezegd, weinig aantrekkelijk. Om mijn hele leven in zo'n sfeer te moeten vertoeven staat me tegen. Ik zou dus graag anders willen, maar ik realiseer me dat mijn rechten niet uitgaaan boven die van anderen. Daarom streef ik naar een (in mijn ogen) redelijke balans. Die bestaat uit een seculiere staat waarin men enerzijds de vrijheid heeft om naar een eigen overtuiging te leven en waarin anderzijds de wetten en bestuursorganen geschoond zijn van godsdienstige aspecten, met goed rationeel onderwijs waaraan strict de hand wordt gehouden. Voor het overige rest de tijd en die werkt, zo te zien, niet in het voordeel van de kerkelijken.
Mijn verwachting? Het kan nog wel even duren. De inrichting van staat en onderwijs wordt bepaald door gekozen parlementariers en een groot deel van hun kiezers zijn behept met een voor mij hinderlijke irrationele geestesgesteldheid. Men is benauwd voor elitarisme en zoekt wegen om de democratie wat dichter bij het volk te brengen. Dat werkt als het gaat om irrationaliteit niet positief.