Ook Rainer Maria Rilke was in verwarring geweest. In 1902 trok hij naar Parijs om een boek te schrijven over de beeldhouwer Auguste Rodin. Rilke twijfelde op dat moment aan zijn kunnen, hij geloofde niet meer in zijn roeping als dichter en wachtte melancholisch op inspiratie. ‘Travailler, toujours travailler!’: die raad kreeg hij van Rodin. En ook nog: geduld hebben en vaak naar de dierentuin gaan om te leren kijken. Van Rodin leerde Rilke zijn lyrische ik met zijn hinderlijke nukken en lamlendige luimen uit te bannen.
Sloterdijk zegt dat er nu een einde is gekomen aan de frivoliteit die de hedendaagse mens zo wereldvreemd heeft gemaakt.
Volgens mij klopt deze gelijkstelling niet helemaal. In onze cultuur zijn mensen wel geneigd blasé te worden omdat alles goed geregeld is. Maar er wordt soms over het hoofd gezien dat je je hiervoor wel moet inspannen, want de goede zorgen hangen niet aan de bomen. Het is niet zomaar dat als je ergens geld instopt, dat er dan een product of dienst uitrolt. Er moeten mensen zijn die zich hiervoor inspannen.
Veel mensen spannen zich liever in voor een dienst die onevenredig goed verdient. Ze willen geld verdienen met windhandel en luchtkastelen. Maar juist de basiszaken die we nodig hebben worden slecht betaald. Denk aan voedselproductie, zorg, textiel etc. In die zin vervreemden mensen van de utopische maatschappij die ze voor ogen hadden.
Maar wat het voorbeeld met frivoliteit te maken heeft weet ik niet. Het komt wat religieus op me over. Mensen zijn gemakzuchtig en dat is dus slecht. Mensen hebben kennelijk problemen nodig om het beste uit zichzelf te halen. Dat is iets heel anders dan het voorbeeld van Rilke, die inzag dat zijn eigen gejeremieer zijn grootste drempel was.
Ik denk dan ook niet dat er een crisis nodig is om mensen in beweging te brengen, maar een beter inzicht in hoe de door ons zelf gewenste realiteit functioneert.
U noemt de crisis de stem van de werkelijkheid.
‘De mondiale crisis dicteert ons onze levenswandel. We moeten ons leven daadwerkelijk veranderen, nieuwe levensvormen ontwikkelen, deelnemen aan ecologische en economische zelfhulpprogramma’s. We kunnen niet anders dan “doen”. Of het ons nu bevalt of niet, dat speelt geen rol meer.’
Dat snap ik dus niet. Ook zonder crisis was de werkelijkheid er. Met een crisis word je tot dingen gedwongen, maar niet noodzakelijk tot het goede. Hoe zwakker iemand staat, hoe meer problemen hij ondervindt door een crisis. Maar anderen ondervinden geen problemen, of profiteren er zelfs van.
Wij leven niet meer in de cinema! Dat is nieuw. Sinds het einde van de Koude Oorlog zijn we niet meer uit de cinema geraakt. Daardoor kon de stem van de werkelijkheid niet meer tot ons doordringen. We zaten ondergedoken in een absolute frivoliteitscultuur.
Dit vind ik nogal negatief. Het is juist heel belangrijk dat mensen hun maatschappij zoveel mogelijk veraangenamen. Dat afdoen als frivool doet me denken aan religies die stellen dat het leven lijden moet zijn en dat de armsten onder ons de grootste kans hebben later in de hemel te komen.
Mensen hebben veel potentieel, en een goede cultuur benut dat potentieel zodat iedereen ervan kan profiteren.
Het begrip duurzaamheid past niet in de frivoliteitscultuur.
Het is vooral het commerciële bedrijfsleven van de vrije markt die duurzaamheid buiten spel zet, omdat daar geen grote winst aan te verdienen valt. Dat is dus niet de gewone burger aan te wrijven.
Wie wel waarde hecht aan duurzaamheid moet het in de concurrentiestrijd tegen de spelers op de vrije markt altijd op den duur afleggen.
Je kan de burger wel beschuldigen van gemakzuchtige massaconsumptie, maar het is niet onze schuld hoe de wereld om ons heen verandert. Wij kunnen niet kiezen voor kleinschaligheid en duurzaamheid als overheden om ons heen beslissen dat het anders moet verlopen. Het zou tot massaprotesten moeten komen, maar daarvoor ontbreekt het ons nu juist aan inzicht.
‘Ik bespeur bij de meeste intellectuelen een perverse vreugde. Een werkelijk pervers crisisgejubel met als refrein: “Godzijdank gaat alles nu naar de verdoemenis!” De laatste vijfentwintig jaar waren voor intellectuelen een barre tijd: de tijd van de frivoliteit en de luxe en de mode. Want overal waar frivoliteit, luxe en mode domineren, worden intellectuelen overbodig. Het dogma van de intellectuele praktijk bestaat er in dat de mensen arm zijn, dat armoede de wet van de realiteit is en dat het gebrek het hoogste woord voert. Nu hebben we een deflatie. Een recessie. En er heerst algemene voldoening van links tot rechts: “Wij hebben het altijd gezegd, goed dat het gedaan is met de overvloed en dat het gebrek weer opduikt.”
Nou kan het aan mij liggen, maar ik meen juist dat dat is wat Sloterdijk zei.
Het probleem van de intellectueel zou ook niet moeten zijn dat mensen leuke kleren aantrekken, maar dat er een machtsverschuiving aan het plaatsvinden is waarbij weer een nieuwe financiële elite en een brede onderkaste ontstaan. De intellectueel zou moeten blootleggen welke mechanismes hierbij werkzaam zijn, om ervoor te zorgen dat genivelleerde, democratische en open samenlevingen zo goed mogelijk in stand kunnen blijven.
Een crisis verwelkomen om mensen wakker te schudden is zo primitief dat je daar niet echt een intellectueel voor hoeft te zijn. Je kan het dan net zo goed een straf van god noemen.
Wat we voor ogen moeten hebben is hoe je een solidaire samenleving kan bereiken waarin geen narcistische graaiers de gelegenheid krijgen de boel naar hun hand te zetten.
Wat wij nu elke dag in de kranten lezen, is dat de basale verhouding in de maatschappij die is tussen schuldeisers en schuldhebbers, tussen kredietgevers en kredietnemers. De arbeid is afhankelijk geworden van de kredietgevers. Als er geen krediet gegeven wordt, kan de zogenaamde Real-economie niet meer functioneren. Mensen betalen hun krediet met arbeid. Er zijn mensen die dat blijkbaar niet willen begrijpen. Waar halen die oude marxistische intellectuelen die vijfentwintig jaar lang overwinterd hebben nu het recht vandaan om hun nooit geredigeerde boodschappen opnieuw te laten weerklinken, dat vraag ik me af.
Maar het is toch ook duidelijk dat een economie die afhangt van een relatie tussen kredietvertrekkers en leners niet gezond is voor een maatschappij? Het is juist een oorzaak van de instabiele situatie van nu.
Je kan je beter afvragen waarom een economie in tijden van overproductie en overconsumptie maar moet blijven groeien, en waarom er altijd maar meer winst moet worden gemaakt om een samenleving draaiend te houden. Wij kunnen als intellectuele beschaving de maatschappij inrichten zoals we willen en alles produceren wat we nodig hebben, maar de boel zou instorten als we niet altijd maar méér nemen dan we nodig hebben. Er klopt iets niet met zo'n systeem.
We moeten af van de afhankelijkheid van ondernemingen die zijn gericht op het maken van megawinst. We moeten die mythe doorprikken, en we moeten deze bedrijven ontmantelen en de werkgelegenheid en productie verdelen over het geheel.
Geeft u eens een praktisch voorbeeld van de imperatief: je moet je leven veranderen.
‘Je moet je ecologische voetafdruk op aarde zo klein mogelijk maken.
Hoe verhoudt dat zich bijvoorbeeld met de kredieteconomie en de vrije markt?
Dit is precies wat ik doe, meer dan Peter Sloterdijk neem ik aan, maar ik ben gewoon economisch misbaar voor de winstgerichte vrije markt. Het is nou juist het probleem dat niet wij bepalen hoe het milieu wordt ingenomen, maar de 'grootste graaiers' en de 'grootste narcisten'.